Hoe hij ons als gelijken behandelt treft mij onmiddellijk. Hij wordt voorgesteld aan een internationaal gevierd actrice, een fotograaf die dertig jaar wereldconflicten gedocumenteerd heeft en een nogal lompe, lange pseudo-cameraman. Toch krijgt elk van ons dezelfde geconcentreerde aandacht, evenveel vragen en bereidwillig luisteren, hetzelfde levendige oogcontact.

Later, wanneer ik hem volg bij een ontmoeting met Jack Straw, herinner ik me weer zijn duidelijke afkeer van status. De toenmalige Britse Minister van Buitenlandse Zaken verwelkomt zijn gast in zijn parlementskantoor met een nogal saaie rondgang langs de met stof bedekte portretten van zijn voorgangers. Straw doet een beetje plechtig en het lukt hem niet helemaal zijn overduidelijke trots te vrijwaren van gewichtigdoenerij. Met de suggestie dat Straw mogelijk de reïncarnatie is van Charles Fox, de eerste Minister van Buitenlandse Zaken van Groot-Brittannië, draait de dalai lama in een tel de saaie langdradige atmosfeer helemaal om. De sfeer klaart onmiddellijk op, de bedomptheid verdwijnt en de lichtheid is terug. Zijn toon is ietwat speels oneerbiedig, onder het mom van het parodiëren van zijn eigen geloof in reïncarnatie steekt hij de draak met Straw’s zwaarwichtigheid. Het is beslist moeilijk voor te stellen dat de paus met dezelfde ondeugende humor grappen zou maken over de onbevlekte ontvangenis. Wat me treft is het feit dat de dalai lama rangen en standen negeert ten gunste van het moment en de menselijkheid.

Dit speelse plagen is een duidelijke eigenschap van de man die ik, in de loop van drie jaar filmen, heb leren kennen. Zonder veel kennis te hebben van intieme persoonlijke informatie over anderen durf ik nog steeds te wedden dat deze celibataire monnik, vanaf zijn tweede jaar grootgebracht als de levende belichaming van de meest gekoesterde godheid van zijn natie, in een koninklijk paleis met verzorgers die gehoor geven aan elke gril, de meest ondeugende, geestig indecente en oneerbiedige staatsman ter wereld is. Op een keer in Schotland, halverwege een toespraak voor een delegatie van Noord-Amerikaanse politici, excuseert hij zich om naar het toilet te gaan. Verdraaid goed wetend dat zijn microfoon nog steeds aan staat geeft hij me een audio verslag van zijn bezoek waarna hij knipogend terugkeert naar de bijeenkomst. Op een daaropvolgend bezoek aan Dharamsala, ben ik halverwege in een voor mij inspannend interview met hem, een van onze laatste, als mijn nieuwe Indiase maatpak openspringt in het kruis. ''Nee maar, Josh is erg blij om me te zien vanmorgen” gooit hij eruit waarna hij uitbarst in een onbedaarlijke lachbui.

Ondanks zijn schalkse gevoel voor humor en het feit dat hij zijn positie als een levende God soms als eenzaam zal ervaren, haalde een gebeurtenis in Dharamsala afgelopen herfst alle twijfel weg over de innerlijke kracht van deze man en zijn diepgeworteldeTibetaanse afkomst. De dalai lama ontving een oud lid van zijn regering in ballingschap, een man die een enorme bijdrage had geleverd aan de totstandkoming van de regering en de infrastructuur voor Tibetanen in India. De oud-ambtenaar lijdt sinds een aantal jaren aan kanker en nu hij weet dat hij snel zal sterven, wil hij zijn leider vaarwel zeggen. Zoals te verwachten is het een zeer emotioneel afscheid met weinig woorden en veel contact. In zijn grote ogen heeft de oude man tranen, als hij vol aanbidding opkijkt naar zijn goeroe en vriend. De dalai lama lijkt, voor het eerst sinds onze kennismaking, diep geraakt. Terwijl hij het kleine kale hoofd van zijn vriend liefdevol in zijn handen neemt, geeft hij hem instructies hoe te sterven. Met een vriendelijke stem legt hij zijn vriend uit dat hij zich moet voorstellen dat zijn Tibetaanse heilige op zijn hoofd zit en dat wanneer hij sterft zijn geest via de kruin van zijn hoofd omhoog gaat om zich met hem te verenigen. Hij vertelt hem te bidden voor een wedergeboorte dicht bij de dalai lama en dat hij hetzelfde zal doen.

Dit korte stukje onzelfzuchtig geestelijk onderricht werd gegeven in het bijzijn van ongeveer acht toeschouwers en een camera. (De kwaliteit van hoe de dalai lama omging met anderen bleef, merkte ik, geheel onaangetast door de grootte van zijn publiek.) Hun gedeelde theologie leek een context en een vocabulaire te verschaffen voor de uitwisseling van gevoelens die in andere religies – of op zijn minst in meer seculiere stervenstradities – naar alle waarschijnlijkheid niet aanwezig zijn. Het maakte dat de kracht van de vriendschap werd herkend en zijn vermogen om gerust te stellen volledig werd begrepen. En het liet zien dat de vriendschap een bron van steun kon zijn, zelfs in de laatste momenten van het leven. Het was een zachtmoedige, rustige en aarzelende uitwisseling - twee oude vrienden die voor de laatste maal van elkaars gezelschap genieten. En het verschafte mij de misschien enige vluchtige kijk in de enorme bron van gevoelens van de dalai lama, door jaren van strikte spirituele oefening, zorgvuldig binnen de perken gehouden.

Wat ik die dag zag blijft me bij, deels omdat het een duizelingwekkende blik werpt op de diepte van de gevoelens die hij niet gauw prijs geeft. Gedurende de tijd dat ik hem gevolgd heb - ongeveer zes maanden als ik alles bij elkaar optel - voelde ik bij hem een terughoudendheid om zich totaal bloot te geven. Ik heb het idee dat deze grens van nabijheid iets is dat frustrerend is voor diegenen die een zekere mate van persoonlijke of professionele intimiteit bij hem zoeken: westerlingen, aanhangers van de Tibetaanse zaak, boeddhistische studenten, politici, acteurs en journalisten. Hij heeft hele goede redenen om bij elk van deze groepen afstand te bewaren – de onafhankelijkheid van de spirituele leraar, de evenwichtige diplomatie van de politicus. De waarheid is echter dat de dalai lama niet echt “aan” vriendschap doet. Er is iets in zijn diepste kern, ik vermoed hem bijgebracht door zijn voorname opvoeding en de heiligheid van zijn positie, dat het hem onmogelijk maakt om op gelijke voet met anderen om te gaan. Zelfs zijn eigen familie houdt een respectvolle afstand. Zijn broer, die de meeste ontspanning en familiariteit laat zien – en die een aantal keer in de film voorkomt, de ene keer in de rol van vertrouwde adviseur en de andere keer als schalkse harlekijn, duidelijk een familietrek – vertoonde al die tijd in houding en wijze van spreken tot zijn broer opmerkelijk nederig gedrag.

Vorig jaar gaf een speciaal moment me inzicht in wat zich achter deze diepgewortelde emotionele onafhankelijkheid bevindt. Op een van mijn laatste filmreizen naar Dharamsala nodigde de dalai lama me uit hem te vergezellen op een bezoek aan het zuiden van India, waar 's lands grootste populatie verbannen Tibetanen leeft. Ik legde hem uit dat ik mijn kinderen al heel lang niet had gezien en dat ik niet met hem mee kon reizen. Hij leek oprecht teleurgesteld; het was iets dat hij me wilde laten zien en waarvan hij het gevoel had dat het een belangrijk deel van zijn verhaal was. Dit was aanleiding tot een zeldzame bespiegeling die betrekking had op de gigantische culturele kloof die ons scheidde toen hij opmerkte, “Aan de ene kant heb jij liefde, maar aan de andere kant heb je geen vrijheid.”

Het mijmeren over het verschil in onze posities, werd vergezeld door een innemende choreografie, karakteristiek voor zijn reflectieve momenten: Een Yoda-achtig hartelijk gegrom, pauze, en de blik gericht ergens op een middellange afstand. Voor één moment was ik verlost van de stevige greep van dit gloeiende charisma. Ik was niet met de leider van het Tibetaanse volk, de menselijke godheid, de internationale superster, niet met 's werelds voornaamste voorstander van geweldloosheid. Dit was de monnik die zijn leven wijdt aan gebed, het celibaat, en een hoge mate van sociaal isolement, en die nadacht over de consequenties van de ruil. Hij is van nature ook een academicus, scherp intelligent in debatten, een gepassioneerd student van de eindeloze canon van boeddhistische filosofie, een strikte beoefenaar van meditatie, wat dagelijks de eerste drie á vier uur in beslag neemt. En ik denk dat daar zijn hart ligt; de vrijheid, door het ontbreken van familiebanden, om intellectuele en emotionele wijsheid te ontwikkelen als resultaat van een leven van reflectie. Het is via deze spirituele beoefening dat hij de buitengewone energie behoudt die nodig is om spirituele ondersteuning te geven aan Tibetanen, Chinezen en westerlingen, terwijl hij strijdt met een achterdochtig Chinees regime voor een oplossing voor de kritieke zaak aangaande de toekomst van zijn land.

“In mijn dromen ben ik een gewone monnik, niet de dalai lama” voegde hij er later aan toe, met zijn typische blik van achteloosheid voor het definitieve artikel. Het verbaasde me in het geheel niet.

Joshua Dugdale heeft vele prijzen gewonnen als documentaire filmmaker en als producer van buitenlandse en actuele programma’s voor de BBC. Zijn film over de dalai lama, The Unwinking Gaze, is te koop op DVD.

De dromen van een milde held
‘s Werelds meest populaire spirituele icoon leren kennen

door Joshua Dugdale




1 | 2
blocks_image