Nee, niet weer! was mijn eerste reactie op een nieuw bericht op de geavanceerde website integrated.org. Recht onder mijn neus reageerde integraal filosoof Ken Wilber op de vraag: “Waar zijn de integrale vrouwen?” Het antwoord van Wilber gaf me de rillingen: na te hebben geconstateerd dat er een tekort aan vrouwen is in het opkomende integrale circuit, legde hij uit dat hij en zijn collega’s erover dachten met positieve actie meer vrouwen aan te trekken. Positieve actie voor de culturele voorhoede?!

Hoe in hemelsnaam kon dit gebeuren
? vroeg ik me af. Begin nou niet weer over dat we weer een inhaalslag moeten maken. De laatste vierhonderd jaar hebben elitevrouwen in de westerse cultuur een enorme sprong gemaakt van slavernij en dienstbaarheid naar onafhankelijkheid en assertiviteit. Dus dit is een verontrustende wending – en enigszins verwarrend. Waren vrouwen niet de leiders van een culturele revolutie? Inderdaad, dat is zo. Maar terwijl wij werkten aan het opbouwen van een samenleving in partnerschap met mannen, lijken we het begin te hebben gemist van wat weleens de volgende revolutie zou kunnen zijn. Er ontstaan nieuwe manieren van denken om de chaos en het conflict van onze globaliserende wereld het hoofd te bieden, wat soms “integraal” wordt genoemd á la Wilber en anderen, of “tweede bandbreedte” voor diegenen die op de hoogte zijn van Spiral Dynamics, of “big history,” of gewoon “post-postmodernisme.” En op een kleine uitzondering na hebben de toonaangevende voorstanders van deze nieuwe inzichten een opmerkelijke karakteristiek gemeen: het zijn allemaal mannen. Dus de vraag is wel degelijk: Waar zijn de vrouwen? En hoe gaan we verder?

Een kleine veertig jaar geleden maakten vrouwen geschiedenis door de leidende voorhoede van de westerse cultuur vooruit te stuwen van het moderne tijdperk naar het postmoderne. Het snel rijzende tij van het nieuwe bewustzijn raasde door de jonge vrouwen van Nieuw Links, tilde de moedigste uit boven “de zee van vrouwenhaat” die zelfs de meest progressieve politiek karakteriseerde, en opende hun ogen en harten voor de radicale mogelijkheid van werkelijke gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Kleine groepjes vrouwen, vers uit de burgerrechtenbeweging, kwaad door de Vietnamoorlog en geridiculiseerd om hun gepassioneerde intelligentie, raakten met elkaar in gesprek over zaken die tot op dat moment onopgemerkt en onbespreekbaar waren. Iets “klikte” – zo beschreven ze het – en een feministisch bewustzijn kwam tot leven. De sociale en wettelijke structuren die de hiërarchieën van dominantie en privilege op z’n plaats hielden, werden plotseling zichtbaar. In kleine groepjes verspreid door de Verenigde Staten en Europa, kwamen vrouwen bij elkaar, zes, twaalf, een paar dozijn tegelijk. Een telefoontje van de ene vrouw naar de andere in een andere stad ontstak de vlam. “Het nieuws dat vrouwen zich aan het organiseren waren, verspreidde zich…als een lopend vuurtje,” zegt politiek wetenschapper Jo Friedman. In de tijdsspanne van twee of drie jaar zag je het ontstaan van de National Organization for Women, Cell 16, the Chicago Women’s Liberation Union, Bread and Roses, WITCH (Women’s International Terrorist Conspiracy from Hell) en het Female Liberation Front, om er maar een paar te noemen. In Nederland was er bijvoorbeeld Dolle Mina.

Deze radicale vrouwen doorbraken telkens weer grenzen, taboes, wetten en gewoontes, waarbij ze veel verontwaardiging uitlokten. De geest van de vrouw barstte uit het voorgeschreven korset van traditionele vrouwelijkheid. “De blijdschap van het feminisme had, voor wie haar voelde, vaak spirituele proporties,” schrijven Rachel Blau DuPlessis en Ann Snitow in hun introductie van
The Feminist Memoir Project. ”Als een bekeringservaring – “de schellen vielen van mijn ogen; ik zag alles als nieuw.” De onbekwaamheden en blokkades, wrok, verborgen verdriet, alle toebehoren en schilderachtige kwaliteiten van “meisjesachtigheid” en “vrouwelijkheid” werden opengescheurd en vielen plotseling uit elkaar. En “alles” – van het meest gewone en alledaagse tot het meest geweldige – leek veranderd.” In 1967 wierpen vrouwen in slechts één middag straatprotest, de eeuwenlange politiek van de New York Times omver om de “hulp gevraagd”-advertenties te scheiden naar sekse. Dit werd kort daarop gevolgd door de meeste stadsbladen van grote steden. Als een vloedgolf tilde dit nieuwe bewustzijn de instituties van de westerse cultuur omhoog – huwelijk, familie, werk – en wierp ze stuiterend op hogere grond.

En dan snel naar het heden: het eens zo krankzinnige idee dat vrouwen en mannen gelijk zijn, of zouden moeten zijn, op sociaal, economisch en politiek gebied, is het door de meerderheid aanvaarde standpunt geworden. Zelfs in de in toenemende mate reactionaire Verenigde Staten. Dit is een enorme ommekeer. Een peiling in 2003 door
Ms Magazine, liet zien dat vijfenzeventig procent van de ondervraagde vrouwen en zevenenzestig procent van de mannen, vonden dat “feministen en de vrouwenbeweging voor hen behulpzaam waren geweest.” Tachtig procent van de ondervraagden zag de vrouwenbeweging als “de voortstuwende kracht achter” positieve sociale veranderingen als “betere mogelijkheden voor werk voor vrouwen, hogere opleidingsniveaus, veranderingen op de werkplek die de combinatie van werk en gezin mogelijk maken en betere betaling.” En toch, na zo’n adembenemend snelle verandering, ontglipt ons het uiteindelijke doel van werkelijke gelijkheid en partnerschap. Op de meest basale indicator van economische gelijkheid – gemiddeld inkomen – verdienen vrouwen vijfenzeventig cent van elke dollar die een man met dezelfde ervaring verdient voor hetzelfde werk. Vrouwen worden nog steeds zelden gezien in de hoogste echelons van macht in bedrijfsleven of politiek. En de meeste getrouwde werkende vrouwen met kinderen zullen zeggen dat ze niet alleen het spek zelf kopen – ze bakken het, dienen het op en maken alles daarna zelf schoon.

De traditionele feministische argumenten over de oorsprong van deze verschillen tussen het leven van mannen en vrouwen raken versleten. De schuld blijven leggen bij structurele ongelijkheden en onbillijkheden, lijkt niet afdoende. Er is iets aan de hand op een dieper niveau. Als we naar de verwachtingen en aspiraties voor de toekomst van tienermeisjes luisteren, kun je horen hoe diep die verschillen zitten. Meisjes geven ons een kijk op het leven van de komende generatie, gevormd door wat eraan vooraf ging, verlangend naar meer en onbelemmerd door de praktische zaken die een leven begrenzen. Een onderzoek onder pubers uit 2002 door The Committee of 200 en Simmons College School of Management, laat een significante overeenkomst zien tussen jongens en meisjes in het verlangen naar prettig en interessant werk, respect en een “evenwichtig leven.” Slechts drie procent van de meisjes en twee procent van de jongens denkt dat ze zichzelf financieel niet hoeven te onderhouden. Maar er zijn essentiële verschillen. Meisjes geven een hogere prioriteit aan werk dat betrekking heeft op “anderen helpen en de wereld beter leefbaar maken,” dan jongens. En alhoewel meisjes en jongens op de middelbare school “dezelfde kans maken op een leidende rol bij hun clubs en teams” en “zichzelf even hoog waarderen op leiderschapskwaliteiten”, ambiëren meisjes “waarschijnlijk minder dan jongens een leiderschapspositie in hun toekomstige carrière.” Daarmee laat de studie zien dat, alhoewel de meeste meisjes de wereld willen veranderen, ze geen verantwoordelijkheid willen nemen voor leiderschap of autoriteit over anderen om dat te verwezenlijken. Als het aankomt op hiërarchie op het terrein van relaties, aarzelen meisjes – en ik moet bekennen, ook hun moeders en oudere zusters.

Dit roept een serieuze vraag op: Zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen in relatie tot hiërarchische macht diep bij ons ingesleten? Die veronderstelling wint steeds meer aan populariteit. En het zou wel eens waar kunnen zijn. Maar voor we deze overtuiging gebruiken om het project voor het bereiken van een radicale en bevrijdende gelijkheid tussen mannen en vrouwen te laten vallen, wil ik even gas terugnemen. Er kwam iets tot leven bij het ontstaan van de vrouwenbeweging in de jaren ‘60, dat wijst op een zo krachtig potentieel, dat het een vraagteken zet bij alles wat we menen te weten over het vrouwelijk geslacht. In de voorwaartse beweging van die frisse golf van radicaal feministisch bewustzijn, waren vrouwen het instrument voor een haast onweerstaanbare impuls om hoger te reiken, uit te breken, op te staan. “Het kwam als een vloedgolf van alle kanten over ons heen en zweepte ons leven op tot daadkracht, plotseling vol betekenis, een transformerende vitaliteit, een verterende energie die nog steeds niet is opgebruikt,” weet Kate Millett zich te herinneren. Het licht van dit nieuwe bewustzijn scheen op alles in het leven van vrouwen, van het scheren van benen tot het instituut huwelijk, tot het functioneren van de industrie (inclusief pornografie, vrouwenbladen en mode) die vrouwen trainde hoe ze het nauwe pad van vrouwelijkheid op hoge hakken moesten belopen. Vrouwen werden ondanks zichzelf omhooggetild tot leiderschap. “Het is opwindend, uitputtend en angstaanjagend om expressief leiding te geven,” verklaart Meridith Tax, medeoprichtster van Bread and Roses. “Het is niet alleen zelfexpressie; het is de geest door jou laten spreken. Op bepaalde historische momenten wanneer verandering mogelijk is, is de lucht vol collectieve energie, die als statische elektriciteit vonken spat.”

Deze vrouwen vierden hun zusterschap. “Een feminist zijn in de vroege jaren ‘70 – zalig was het om te leven in dat ochtendgloren,” schrijft Vivian Gornick. “Geen ik-hou-van-je ter wereld kon daar tegenop. Er was geen betere plek om te zijn dan bij elkaar.” Door hun lange vrouwengeschiedenis van competitie en de heel echte verschillen tussen hen te negeren, creëerden deze godgeklaagde en verontwaardigde vrouwen gedurende een glorieus evolutionair moment een ideaal van vrouwen-als-zusters. Dat ideaal gaf hen grond onder de voeten terwijl ze probeerden uit te breken uit de veiligheid van aan-thuis-gebonden relaties en in het onbekende te springen. Het ideaal van vrouwen verenigd in gezamenlijke strijd, hield hen bij elkaar toen ze bewust in actie kwamen om het bewustzijn van vrouwen te veranderen. In kleine groepjes begaven ze zich in een experiment in evolutie, genaamd “bewustzijnsverruiming” of CR (conscious raising). Ze streefden ernaar ieder aspect van hun persoonlijke ervaring te zien als het product van een sociaal, politiek en economisch systeem, dat voornamelijk mannen had bevoordeeld, en bedachten de slogan “het persoonlijke is politiek.” Dit diep
onpersoonlijke perspectief op hun persoonlijke angsten, dromen en verlangens veroorzaakte een aardverschuiving in het bewustzijn van vrouwen – en ontketende een razende energie voor verandering. “We drukten individuele woede uit, maar voor een veel meer gemeenschappelijk, politiek en economisch radicalisme dan je je nu kunt voorstellen,” zegt Rosalyn Fraad Baxandall, van de New York Radical Women and Redstockings. “Het doel was het uitdagen van de systemen waardoor de classificaties “masculien” en “feminien” worden geconstrueerd en onderhouden…We hebben de rol van het individu kleiner gemaakt. We verbeeldden ons nooit dat het seksisme kon worden opgelost door één man of één vrouw te veranderen.”

Toch bleef het niet voortduren, deze opleving van de geest, deze collectieve beweging om het bewustzijn van de vrouw te bevrijden. Er gebeurde zo veel tegelijk dat het moeilijk is om de precieze oorzaak aan te wijzen. Een factor die er zeker mee te maken had was de razernij in de reactie van de mannen. Tot stomme verbazing en ontzetting van de vrouwen werd hun vraag om “persoonlijkheid en waardigheid” beantwoord met “geweld en haat” door hun echtgenoten, geliefden, collega’s en gelijken, “mannen die,” zoals Dana Densmore zich herinnert, “tot dan toe normaal leken.” Densmore, een van de oprichters van de vroeg-feministische krant
No More Fun & Games, zegt, “We voelden dat we klaar waren voor een apocalyps van de man-vrouw relatie.” Voor sommigen bleek deze dreiging te veel te zijn. Een andere factor had met de vrouwen zelf te maken. De belofte van zusterschap bleek ongrijpbaar te zijn. Zwarte vrouwen wilden naast hun broeders vechten voor raciale gelijkheid – niet voor seksegelijkheid naast witte vrouwen, met wie ze geen positieve geschiedenis deelden en ze hadden ook nauwelijks redenen om hen te vertrouwen. Radicale lesbiennes schreven voor dat werkelijke bevrijding vrijheid van heteroseksualiteit betekende. Verschillen langs de lijnen van ras, klasse en seksualiteit leiden tot scheuren in de beweging. En er begon iets te gebeuren wat nog veel onheilspellender was. Er braken conflicten uit die zelden tot een positieve oplossing werden gebracht. Groepen versplinterden en begonnen elkaar te mijden. En die vrouwen die als leider werden gezien – zij die het meest hadden bereikt, het meest bekwaam waren en het meest openhartig – werden “uitgespuugd” en door de beweging uitgekakt. “Zusterschap is krachtig,” is een uitspraak toegeschreven aan Grace Atkinson, “het vermoordt zusters.” De beweging vrat haar eigen leiders op. Door die vrouwen in de voorlinie uit te schakelen, kwam de opwaartse stroom van vrouwen die opstaan, bijna tot stilstand. Deze donkere niet-zusterschap heeft niet veel te maken met helpen of zorgen voor anderen – tenminste niet voor andere vrouwen. Verschillen zijn toegestaan zolang ze geen verschil maken – met andere woorden, zolang ze geen verschil in macht, vaardigheid of status onthullen. En macht opereert heimelijk: meer niet erkend dan niet gebruikt.

[
volgende]
Waar zijn de vrouwen?


door Elizabeth Debold


1 | 2
blocks_image