Op dat moment lukte het me echter niet om een manier te vinden om mijn ambivalentie ten opzichte van moderniteit achter me te laten. Mijn dilemma werd nog eens vergroot omdat ik— terwijl ik het werk van Heidegger aan het lezen was—ook met grote waardering het werk van Karl Marx las. Marx was een modernist die de industrialisatie als een noodzakelijke stap richting een postkapitalistische maatschappij zag, waar een overvloed aan materie mensen zou bewegen om hun creatieve interesses te volgen. Hij noemde degenen die met weemoed terug dachten aan de premoderne manier van leven zwakkelingen. Ik voelde me enorm aangetrokken tot het socialisme, maar toch kon ik het onvoorwaardelijke commitment aan de moderne industrie daarbinnen niet accepteren. Uiteindelijk wendde ik me tot Herbert Marcuse, een socialistische denker die onder Heidegger gestudeerd had, maar die bleef geloven dat zowel het kapitalisme als het socialisme gedreven werden door een lust naar macht.

Marcuse bood geen plausibel alternatief voor het industriële en technologische “systeem”, maar ik had goede hoop dat diepte-ecologie wel eens voor een begin van een postmoderne, postindustriële cultuur zou kunnen zorgen, die zowel de natuur als de mensheid zou helen. Toen verscheen er in 1987 een boek dat mijn leven veranderde. In Heidegger and Nazism beargumenteerde geschiedkundige Victor Farias dat Heideggers roemruchte connectie met het nationaal socialisme geen politieke fout was die ten einde kwam in 1934, maar veel meer een uiting van zijn eigen filosofie. Hoewel Farias’ kritiek te ver ging, dwong hij mij om te erkennen dat Heidegger niet alleen kritisch stond ten opzichte van de moderne industrialisatie en de bijbehorende vernietiging van de natuur, maar ook ten opzichte van moderne sociale instituties, waaronder de Franse en Amerikaanse revoluties die de burgerrechten—die ik juist zo belangrijk vond—hadden verspreid. Dezelfde fascistische ideologie die verantwoordelijk was voor Auschwitz, zo ontdekte ik, had in de vroege jaren dertig ook een wet gerechtvaardigd waardoor uiteindelijk meer natuur is weggevaagd dan ooit tevoren. Zoals een beroemde nazi-slogan het zei: “puur land” en “puur bloed” gaan hand in hand.

En dus vroeg ik mezelf af: als het gedachtegoed van Heidegger op de een of andere manier verenigbaar was met het nationaal socialisme en als zijn werk ook bezien kon worden als anticiperend op diepte-ecologie, tot op welke hoogte was diepte-ecologie zelf dan verenigbaar met fascistisch antimodernisme?

Er was geen eenvoudig antwoord op die vraag, maar er was voldoende aanleiding om bezorgd te zijn over de signalen die ik kreeg zodat ik een andere attitude ten opzichte van moderniteit moest ontwikkelen—een houding die de donkere kant ervan erkende (de verwoesting van de natuur) en tegelijkertijd de nobele kant bevestigde (de belofte van dezelfde rechten voor ieder mens). Ik was al langzaam in die richting aan het bewegen sinds ik Ken Wilbers’ boek Up from Eden had gelezen in 1981. Onder andere hier geeft Wilber een integraal verslag van de menselijke historie, waarin hij beargumenteert dat het passend is om moderniteit zowel te integreren als te overstijgen in plaats van het òf helemaal af te wijzen en het als een grote fout te zien, òf het zonder enige kritiek te omarmen als het hoogtepunt van de menselijke ontwikkeling. Ik was goed op weg om een integraal perspectief te realiseren, maar ik moest nog één stap zetten, misschien wel de allermoeilijkste.

In het midden van de 80-er jaren bezocht ik mijn vader in zijn kantoor op wat toen ‘s werelds grootste PVC fabriek was, vlakbij Baton Rouge. Ik vroeg hem om me een rondleiding te geven en me het een en ander te vertellen over wat hij daar precies deed. Ik wilde hem laten weten dat ik de enorme bijdrage die hij en zijn generatie geleverd hadden aan het menselijk welzijn waardeerde, ondanks de problemen die er waren met PVC en een aantal andere industriële producten. Ook wilde ik hem bedanken voor de bijdrage die hij had geleverd in zijn rol als mijn vader. In die periode was hij op de hoogte van het feit dat giftige uitstoot een wezenlijk probleem was dat tot het minimum moest worden beperkt en waar op de juiste manier mee om moest worden gegaan. Hij was nog niet bereid om het vertrouwen in PVC te verliezen, maar we waren op een punt gekomen waar we elkaars mening respecteerden; en in al mijn jaren waarin ik probeerde een integraal perspectief te ontwikkelen was niets belangrijker dan mijn relatie met hem te herstellen. Tenslotte zijn het persoonlijke en het filosofische nauw met elkaar verbonden; slechts door wat ik aan mijn vader verschuldigd was te integreren kon ik daadwerkelijk mijn schuld aan moderniteit inlossen.

Michael E. Zimmerman is professor in de filosofie en directeur van het Centrum voor Mensheid en Kunsten van de Universiteit van Colorado in Boulder. Zijn volgende boek, Integrale Ecologie verschijnt in maart 2009.
Met de Jim Crow-wetten wordt verwezen naar het geheel van wetten in de VS die rassenscheiding legaliseerden na 1890.
blocks_image
Mijn weg naar integraal denken

Door Michael Zimmerman

De persoonlijke en filosofische confrontatie van een integrale ecoloog met de moderniteit.
1 | 2
blocks_image